[1897-1983]

Wolfgang Fraenkel

Wolfgang Fraenkel geb. 10 okt. 1897 in Berlijn, gest. 8 maart 1983 in Los Angeles (CA), Komponist, Dirigent, Musicus, Muziektheoreticus, Jurist,kreeg reeds op jonge leeftijd vioolles van Max Heinecke (van het Waldemar-Meyer Strijkkwaret) en altvioolles van de eerste altist van de Berlijnse Staatsopera. Later studeerde hij ook piano en muziektheorie aan het Klindworth-Scharwenka Konservatorium en orkestdirectie bij Julius Prüwer. Bovendien begon hij aan een rechtenstudie, die onderbroken werd door de Eerste Wereldoorlog, maar die hij in 1923 afrondde.

Tot april 1933 was Fraenkel werkzaam als rechter aan het beroepsgerechtshof van Berlijn. Nadat alle joden uit openbare functies waren ontslagen, kon Fraenkel zichzelf alleen in leven houden doormiddel van muzikale aktiviteiten. Hij nam deel aan een aantal projecten van de joodse cultuurbond en trad op als dirigent, o.a. (1936/37) van Stravinsky's L'Histoire du Soldat.

In november 1938 werd Fraenkel in het KZ Sachsenhausen gevangen genomen; hoogstwaarschijnlijk was hij een van de 6000 joden, die na de 'Reichskristallnacht' van 9 november naar het KZ Oranienburg gedeporteerd.
Met hulp van de cultuurbond en doordat zijn moeder als 'arisch' was ingeschaald, kwam hij reeds na 1-2 maanden weer op vrije voeten op voorwaarde  dat hij Duitsland onmddellijk zou verlaten.
In 1939 was voor veel Duitse en Oostenrijkse joodse vluchtelingen Shanghai de 'Haven van het laatste toevluchtsoord', daar men voor deze stad, als enige plaats in de wereld, geen inreisdocumenten of visa nodig had. Fraenkel verliet Europa eind maart of begin april 1939 aan boord van het beroemde stoomschip 'Conte Rosso', een Italiaans schip van de Lloyd-Triestino Lijn (dat in 1941 zou vergaan na een torpedoaanval), en kwam een maand later in Shanghai aan.

In Fraenkels artistieke ontwikkeling van voor 1939 kan men verschillende vroeg 20ste-eeuwse stromingen onderscheiden: neo-classicisme, vrije atonaliteit en twaalftoonstechnieken.
Tot zijn belangrijkste werken uit die tijd behoren de opera „Der brennende Dornbusch“ (1926-1928), naar Oskar Kokoschka, en de kantate „Die 82. Sure des Koran“ (1936).
Met name de werken die hij vanaf het midden van de jaren 30 schreef, laten een selfbewuste atonale stijl in de traditie van de jonge Schönberg horen, zonder systematische toepassing van de twaalftoonstechniek, ookal was hij daarvanvanaf begin jaren 30 op de hoogte.
Uit zijn verdere ontwikkeling wordt wel duidelijk, dat de muziek en de kompositie-esthetiek van Schönberg een centrale rol spelen, zoals ook duidelijk wordt in zijn theoretische verhandeling "Afunkionelle Musik" (1937-1942).
Wolfgang Fraenkel begon terstond na zijn aankomst in Shanghai met muzikale aktiviteiten. Mogelijkerwijs op voorspraak van Otto Klemperer en de Japanse dirigent Hidemaro Konoye, trad Fraenkel reeds in het begin van 1940 toe tot het Stedelijk Orkest van Shanghai (SMO), dat zich onder leiding van Mario Paci (1878-1946) vanaf 1919 tot een professioneel ensemble had ontwikkeld.
Via het SMO legde hij contacten met de Nationale Beroepsschool voor Muziek (Guoli Shanghai Yinyue Zhuanke Xuexiao), het huidige Shanghai Conservatorium (Shanghai Yinyue Xueyuan), dat in 1927, als eerste hogeschool voor muziek in Azië, door Cai Yuanpei und Xiao Youmei werd opgericht. Fraenkel werd er in de zomer van 1941 als leraar muziektheorie aangesteld.
In 1947 gaf hij ook een semester les aan de National Music School Nanjing (Nanjing Guoli Yinyue Yuan).
Hij onderwees harmonieleer, kontrapunt, analyse, instrumentatie en kompositie en bracht als eerste Arnold Schönbergs „Methode der Komposition mit zwölf nur aufeinander bezogenen Tönen“ naar Azië.
Zijn leerling Sang Tong komponeerde in 1947 waarschijnlijk het eerste dodekafonische werk („Yejing“) buiten Europa en Amerika.
Naast zijn docentschap aan het conservatorium gaf Fraenkel ook privéles.
Tenminste 23 Chnese studenten zijn door Fraenkel mede gevormd, onder hen Ding Shande (1911-1995), Sang Tong (geb. 1923) en Zhang Hao (geb. 1910).


In het licht van de moeilijke materiele en politieke situatie van de oorlogsjaren, is het opmerkelijkdat Fraenkel aan de opbouw van een jeugdorkest (Zhongguo Qingnian Jiaoxiang Yuetuan) meewerkte, opgericht door zijn leerling Li Delun (1917-2001), later een van de leidende dirigenten van China. In dezelfde kontxt ontstond het
China Symphonic Orchestra (Zhongguo Jiaoxiang Yuetuan), dat Fraenkel in de jaren 1945/46 met zeer veeleisende programma's dirigeerde.

 Fraenkels kurzer Text „Music-Development?“ belegt, dass er in zukunftsweisender Art über die aktuelle Situation der chinesischen Musik reflektierte und die für einen Europäer zu dieser Zeit höchst ungewöhnliche Auffassung vertrat, die europäische Musiktradition dürfe von chinesischer Seite nicht kritiklos übernommen werden und die Hauptaufgabe zur Ausbildung einer sinnfälligen Synthese falle chinesischen Musikern selbst, nicht Europäern zu.

Wie zahlreiche andere Shanghaier Exilanten verließ Fraenkel Shanghai bei Beginn des chinesischen Bürgerkrieges und übersiedelte im August 1947 nach Los Angeles. Sein Nachfolger am Shanghaier Konservatorium wurde der Berg-Schüler Julius Schloss. In den verbleibenden 36 Jahren konnte er trotz seines schon etwas fortgeschrittenen Alters noch einige Erfolge als Komponist feiern und sein Schaffen wurde ansatzweise auch in Europa registriert. Drei seiner Werke wurden mit europäischen Kompositionspreisen ausgezeichnet, und Bruno Maderna dirigierte am 21. Okt. 1966 die Uraufführung seiner von Webern beeinflussten, rhythmisch komplex organisierten „Symphonischen Aphorismen“ (1959, Kellermann-Verzeichnis 11) an der Mailänder Scala. Noch in hohem Alter verfolgte Fraenkel die neuesten Entwicklungen der europäischen Musik; Schriften von Karlheinz Stockhausen und Pierre Boulez finden sich mit Notizen versehen in seinem Nachlass. In Los Angeles lernte Fraenkel auch Arnold Schönberg persönlich kennen und leitete in einem Konzert am 22. Jan. 1950 anlässlich von dessen 75. Geburtstag (13. Sep. 1949) eine Aufführung der „Ode to Napoleon Buonaparte“ op. 41 (1942). Zu diesem Geburtstag widmete er Arnold Schönberg auch seine „Musik für Streichquartett“ (1948/1949, Kellermann-Verzeichnis 21).

Wolfgang Fraenkel starb 1983 im Alter von 85 Jahren. Er hinterließ 193 Werke, von denen 19 unvollendet blieben. Die meisten Partituren sind in seiner kalligraphischen Handschrift überliefert, nur wenige Partituren wurden zu seinen Lebzeiten veröffentlicht. Fraenkels Wirken verdient es, in China wie auch in Europa wieder verstärkt zur Kenntnis genommen zu werden.

Verfolgung/Exil

Gründe: „rassische“ Verfolgung
Schlagwörter: Berufseinschränkung, Jüdischer Kulturbund, KZ-Haft, Reichspogromnacht
Exilland: China, USA
Inhaftierungsort: KZ Sachsenhausen
Stationen: April 1933 : Entlassung als Richter am Berufungsgericht Berlin
ca. November 1938 - ca. Januar 1939 : Inhaftierung im KZ Sachsenhausen
April 1939 : Exil in China (Shanghai), Route der Conte Rosso: Genua, Port Said, Suez-Kanal, Bombay, Colombo, Singapore, Hongkong, Shanghai
August 1947 : Übersiedlung in die USA (Los Angeles), Route: Shanghai, Nanjing, Kobe, Yokohama, Honolulu, San Francisco, Los Angeles